
Masterclasses flamencotop: Dorantes, Diego del Morao en Diego Carrasco
‘Bus junelo a purí golí, men arate sos guillabela, duquelando palal gres berroguí,’ klonk het op een koude maandagochtend in de centrale ruimte van Grounds. Studenten van de flamencoafdeling van de World Music Academy, docenten en toehoorders zongen de weemoedige compositie Orobroy van flamencopianist David Peña Dorantes. En wel in het Caló, de taal van de Spaanse zigeuners. ‘Prejenelo a undebé sos bué, orchi cálli ta andiá diñelo, andoba sueti rugi pre alangarí,’ schalde het in hoge, langgerekte vocalen.
Een week lang stond Grounds in het teken van de Flamenco Biënnale III, die eind januari werd gehouden. Naast de avondconcerten gaf de top van de Spaanse flamenco een aantal masterclasses in Rotterdam: topgitarist Diego del Morao uit de Jerezaanse Morao-dynastie, de populaire zanger Diego Carrasco, eveneens uit Jerez de la Frontera, en de eerdergenoemde Dorantes.
‘Het is lastig de ziel van de flamenco naar de piano te vertalen,’ begon de pianist, die werd geboren in een puur flamenconest in Lebrija. ‘In onze traditionele muziek heeft de piano geen plek; het is alleen zang, gitaar, dans en percussie. Men wantrouwde mij zowel in de flamencowereld als daarbuiten: ik studeerde klassieke muziek op het conservatorium en moest uiteindelijk van school af omdat ik flamenco wilde spelen.’
Dorantes ging toch door met zijn missie, en met succes. Hij maakt nu deel uit van een handvol exponenten van de flamencopiano, en wordt zelfs vaak gevraagd als gastdocent op Spaanse conservatoria. In tegenstelling tot sommige collega’s vertaalt hij niet zonder meer gitaarakkoorden naar de piano, maar creëert hij een nieuw impressionistisch idioom waarin hedendaagse gecomponeerde muziek en flamenco elkaar vinden.
Met een stuk of tien studenten – percussionisten, gitaristen, een bassist, fluitist, violist en zangeres – begon hij op het podium van de grote zaal nummers in te studeren. Pianisten van de afdelingen klassiek, latin en tango keken over zijn schouder mee en maakten opnamen. Er kwamen ostinato bulerías voorbij, romantische fandangos en de studenten soleerden een voor een.
‘Jullie spelen goed,’ besloot de maestro, ‘maar de flamenco is een manier van leven, van je zonder angst uit te drukken, je ziel te ontbloten, erin te duiken. Zigeuners zingen seguiriyas en soleá niet omdat ze mooi zijn, maar wanneer ze echt verdrietig zijn. Flamenco is een filosofie. Dus zie het als klei: speel met de strakke ritmes, maak ze je eigen. Individuele expressie gaat boven alles.’

Dat was ook de boodschap van Diego del Morao, die de daaropvolgende dagen met de gitaristen aan de slag ging. Evenals Dorantes stamt hij uit een zigeunergeslacht van flamencogrootheden: in zijn geval gitaristen. Diego’s oudoom Manuel de Morao was een van de grondleggers van de Jerezaanse school, zijn vader Moraíto Chico is een legendarische begeleider en Diego is de rijzende ster van zijn generatie.
‘Jullie zijn allemaal erg goed,’ verklaarde Del Morao na het horen van de elf gitaristen en de bassist. Maar wat er mist is vrijheid in het ritme. En die vrijheid is juist het meest kenmerkende van de stijl van Jerez, dus daar gaan we deze dagen aan werken.’
Zichtbaar genietend speelde hij diverse variaties van de rasgeo - een kenmerkende flamencoaanslag op de gitaar - voor. ‘Het gaat om de kleine details; het lijkt hetzelfde maar dat is het niet. Kijk, jullie houden je duim niet op de bovenste snaar. Dat moet wel. Het is net of je aan het knikkeren bent, zo kun je meer kracht zetten, en het geeft een warmere, ronde klank.’ Hij glunderde. De studenten zweetten.
‘Speel met meer bas, dat is ook een kenmerk van de Morao’s. En zo doet mijn vader het. Hij kan dit eigenlijk beter.’ En met oprecht respect in zijn stem: ‘Ja, mijn vader, die is pas goed. Hij zet bijna geen kracht. Iedereen speelt op deze manier, maar bij hem klinkt het echt goed. Verdorie, het lukt me niet. Zo zie je maar, jullie laten me studeren.’ Hij lachte, maar bleef de passage herhalen totdat hij hem in de vingers had.
Het was die bescheidenheid en tegelijkertijd de ambitie om zichzelf te verbeteren die ook de studenten opviel. Kambiz Afshari, ex-masterstudent flamencogitaar, was opgelucht. ‘Als ik zie dat zo iemand als Diego del Morao, die op dat niveau speelt, ook nog steeds niet tevreden is over zijn spel, dan is er hoop voor de rest van ons.’
De les ging door. Del Morao: ‘Weet je, wij spelen met een intern maatgevoel, dat is heel lastig bij te brengen. Maar probeer allemaal meer op gevoel te spelen. Ga met de zanger mee, en dan weer terug, versnel aan het einde van de falset. Je kunt trouwens alleen zo losjes improviseren als je zonder percussie speelt. Met percussie en bas erbij moet je je meer aan het ritme houden, anders is het caca.’

Zanger en ritmegoeroe Diego Carrasco, de laatste gast van de week die de avond ervoor samen met Diego del Morao deel uitmaakte van een uitbundig concert in Amsterdam, liet vrijdagmiddag even op zich wachten. Dus nam flamencowetenschapper Faustino Nuñez het even over. Een groep van meer dan vijftig studenten, ex-studenten, dansers en liefhebbers had zich verzameld in de kleine zaal van Grounds.
Met die groep liep Nuñez alle flamencostijlen door. Hij leerde de toehoorders hard en schel (palmas abiertas) en dof en zacht klappen (sordas), en liet hen de ‘palos’ klappen in binaire maatsoorten – tangos, habanera, farruca, tanguillos, de stijlen in ternaire – zoals seguiriyas sevillanas, en de onregelmatige maatsoorten waarin deze twee gecombineerd worden, zoals de bulerías, alegrías en soleares. Verschillende dames kwamen naar voren om te dansen, de gitaarstudenten begeleidden en de groep klapte alle ritmes in een keer goed. ‘Ricardo,’ riep Nuñez verslagen naar gitaardocent Mendeville, ‘Ik weet niet meer wat ik met deze mensen moet doen, ze kunnen alles al!’
Precies op dat moment zwaaide de deur open en verscheen de flamboyante Carrasco met baard, pet en zonnebril. ‘Waar zijn de instrumenten?’ brulde de koning van het ritme, ‘Wie zingt? Wie danst? Wie klapt?’ Hij maande iedereen in een grote cirkel te gaan staan en gaf aanwijzingen. ‘Ga trots staan, borst naar voren en adem. We gaan zingen! We gaan dansen!’ De melige sfeer onder de deelnemers veranderde langzaam in concentratie en plezier. Er werd gelijktijdig een melodie gezongen, geklapt, gedanst; alles met de trotse houding zo typerend voor de flamenco. ‘Elke vorm van schaamte moet verdreven worden. Je moet zweven.’ Een week van complete onderdompeling in de flamenco eindigde later op die avond met een waar feest toen Carrasco met zijn familiegroep een levendig concert gaf en Jerez de la Frontera in het Rotterdamse Grounds tot leven kwam.
